Soms maak ik wonderlijke dingen mee, best vaak zelfs. Vanochtend bijvoorbeeld. Zoals vaak op mijn vrije dag ging ik zwemmen. Op buienradar had ik gezien dat er regen zou komen, maar dat zou pas op de terugweg zijn. En meestal valt het mee. Blij fietste ik een halfuurtje door zonnige weilanden naar het buitenbad. Het was er lekker rustig, er waren nog drie andere dames. Zij gingen zwemmen in het kletsdeel links en ik had de rechterkant helemaal voor mezelf. Het was heerlijk.
Na twee baantjes begon het opeens te onweren. Ik sprong van schrik al bijna meteen op de kant want ik ben een angsthaas, maar de badjuffrouw gaf aan dat dat nog niet nodig was, zij zou het in de gaten houden en ons op tijd waarschuwen. Het onweer zette al snel door en na drie baantjes vluchtten we het bad uit en ging het zwembad dicht. We kregen een douchemunt en kleedden ons weer aan. De dames togen naar huis, ze wonen dichtbij of waren met de auto. Maar wat moest ik doen? Ik had niet eens geld mee om ergens koffie te drinken en te schuilen. Het onweerde nog steeds en ik moest een lange weg dwars door de weilanden fietsen. Ik wachtte een kwartiertje en daarna leek het op buienradar wel een redelijk goed moment om te gaan.
De weg door de weilanden leek eindeloos lang. Het bleef maar onweren. Ik vond het gruwelijk eng. Gelukkig had ik wind mee en in de zesde versnelling trapte ik zo snel mogelijk naar het station. Daar checkte ik buienradar weer. Ik besloot het erop te wagen. Maar op de brugoprit begon het te bliksemen. Gauw weer terug naar het station, naar Ed Kroket. Totaal geschrokken kwam ik daar aan. Ik vroeg Ed of ik via een tikkie koffie kon kopen. Iemand achter me zei: ‘Ze krijgt koffie van mij! Geen probleem.’
Ik keek om en zag een oudere man in een geruite trui met een loshangende stropdas eroverheen. Hij zat een beetje onderuitgezakt, had een hoedje op en droeg een rond brilletje. Hij stond erop mij koffie te geven. Hij trakteerde me niet alleen op koffie, maar vervolgens ook op hele voordrachten uit de literatuur. Elsschot (‘Die gedroeg zich als Alfons de Ridder veel minder prettig dan onder zijn schrijversnaam.’), Reve (‘Wat kon díe man mooi schrijven over niks.’), Dante Alighieri (‘Ik ken 2000 versregels uit mijn hoofd van De goddelijke komedie, wil je een stukje horen?’), Nescio (Ken je de beginzin van De uitvreter?‘). Hele pagina’s, hoofdstukken citeerde hij en ook de levensverhalen van de auteurs kon hij met veel sjeu vertellen. Voordragen kon hij, de snackbar werd met zijn aanwezigheid een klein theater. Trots keek Ed me aan: ‘Wat weet hij veel hè? Hij is hoogbegaafd en heel bijzonder. Ik ken hem al dertig jaar!’
Zo schuilde ik voor de laatste onweersbuien, in het snackbartheater, met koffie. Langzaam voelde ik de stress uit mijn lijf trekken. De man hield nog een betoog over het belang van grammaticale kennis en over hoe belangrijk lezen is. Zijn advies: elke dag eerst een uur lezen. Een man naar mijn hart.
Zijn telefoon ging, het werd droog en ik bedankte Ed en zwaaide naar de bellende man. Op naar huis. Bijna niet gezwommen, wel een bijzondere ochtend. Zin om Elsschot weer eens te lezen.














